Tijdens de duur van de arbeids­overeenkomst De bezoldiging

Het privégebruik van de firmawagen

Inleiding

Het zal duidelijk zijn dat het toekennen van een bedrijfswagen en het privégebruik ervan een van de ‘evergreens’ is in het verloningspakket van een werknemer. Opvallend is ook dat de firmawagen voor een werknemer een zeer emotioneel gegeven is. Zo zal men zien dat wanneer er een overvloed is aan werkaanbiedingen en werknemers maar te kiezen hebben, ze in hoge mate zullen opteren voor de werkgever die de mooiste firmawagen aanbiedt. Ook stijgt aan het einde van de arbeidsovereenkomst vaak de nervositeit op het ogenblik dat de firmawagen wordt teruggeroepen. Hierna zal kort worden ingegaan op enkele praktische situaties betreffende dit privégebruik van de firmawagen.

Het fundamentele uitgangspunt is dat het privégebruik van de firmawagen als loon beschouwd moet worden. Dat heeft dan ook zijn gevolgen bij het gebruik van de firmawagen tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst en aan het einde van de arbeidsovereenkomst.

Firmawagen tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst

Wat in geval van ziekte van de werknemer?

Heeft een zieke werknemer nog het recht om met de firmawagen rond te rijden? Hierbij dient het onderscheid gemaakt te worden tussen twee periodes:

  • Eerste periode: periode gedekt door het gewaarborgde loon van de werkgever.
    Het uitgangspunt is dat de werknemer gedurende de eerste dertig dagen van zijn ziekteperiode recht heeft op een gewaarborgd loon van zijn werkgever. Aangezien het privégebruik van de firmawagen als loon moet worden beschouwd, impliceert dit automatisch dat de werknemer het privégebruik van de firmawagen tijdens deze periode behoudt. Het is wel perfect mogelijk bij het begin van de arbeidsovereenkomst duidelijk te stipuleren in een car policy dat de partijen het erover eens zijn dat in geval van ziekte de firmawagen onmiddellijk terug moet. Bij gebrek aan dergelijke uitdrukkelijke overeenkomst zal de algemene regel spelen en zal de firmawagen behouden blijven tijdens deze eerste periode.
  • Tweede periode: na de periode gedekt door het gewaarborgde loon.
    Het uitgangspunt is hier dat vanaf dat ogenblik de werkgever geen verplichting meer heeft tot het betalen van loon. Bijgevolg hoeft hij ook niet meer het privégebruik van de firmawagen te laten aan de werknemer.

Wat tijdens de vakantie?

Het uitgangspunt is hier dat de werknemer recht heeft op doorbetaling van het loon tijdens de vakantiedagen. Derhalve moet de wagen ter beschikking blijven van de werknemer tijdens de vakantiedagen.

Kan de werkgever eenzijdig de wagen afnemen of van categorie verlagen?

Het privégebruik van de firmawagen is loon en dus kan de werkgever niet zomaar eenzijdig het recht op een al toegekende firmawagen ontnemen.

Een andere zaak is het verlagen van categorie van de wagen. Al blijft voorzichtigheid geboden, toch heeft de werkgever in principe het recht eenzijdig de categorie van de firmawagen te verlagen. Dit zal niet als een contractbreuk in hoofde van de werkgever beschouwd kunnen worden, behalve in het uitzonderlijke geval waarbij uitdrukkelijk tussen de partijen een specifiek merk en type wagen is overeengekomen. Of dat dan als een substantiële wijziging van de arbeidsvoorwaarden beschouwd kan worden, is hoogst twijfelachtig.

Sociaalzekerheidsrechtelijk statuut bedrijfswagen

Wanneer een werkgever aan zijn werknemers rechtstreeks of onrechtstreeks een voertuig ter beschikking stelt dat ook voor andere dan beroepsdoeleinden is bestemd, verwerft de werknemer een voordeel dat onderworpen is aan de betaling van een solidariteitsbijdrage door de werkgever.

Om het sociaalzekerheidsrechtelijke regime van het gebruik van het voertuig te ‘vergroenen’, wordt de solidariteitsbijdrage – onder de vorm van een forfaitaire bijdrage – gekoppeld aan het CO2-uitstootgehalte van het voertuig en het type brandstof dat wordt gebruikt. Het aantal kilometers, evenals het feit of de werknemer al dan niet zelf financieel tussenkomt, is irrelevant.

De maandelijkse bijdrage, die niet minder mag bedragen dan 26,47 euro (bedrag voor 2018) wordt in 2018 forfaitair vastgesteld als volgt:

Voertuigen Formule
Benzine

CO2 bekend: [(Y x € 9) – 768] : 12 x 144,97/114,08
CO2 onbekend: [(182 x € 9) – 768] : 12 x 144,97/114,08= 92,13

Diesel

CO2 bekend: [(Y x € 9) – 600] : 12 x 144,97/114,08
CO2 onbekend: [(165 x € 9) – 600] : 12 x 144,97/114,08= 93,72

LPG [(Y x € 9) – 990] : 12 x 144,97/114,08
Elektrisch € 26,47 per maand (= minimumbijdrage)

De factor Y vertegenwoordigt het CO2–uitstootgehalte in gram per kilometer, zoals vermeld in het gelijkvormigheidsattest, het proces-verbaal van gelijkvormigheid van het voertuig of in de gegevensbank van de dienst voor de inschrijving van de voertuigen.

Opvallend is dat de werknemer zelf geen socialezekerheidsbijdragen moet betalen op het privégebruik van zijn firmawagen.

Fiscaalrechtelijk statuut bedrijfswagen

Wanneer er aan een werknemer een voertuig ter beschikking wordt gesteld en hij dat voertuig ook voor andere dan beroepsdoeleinden mag gebruiken, dan is dat een voordeel in natura, belastbaar in hoofde van de werknemer. Sinds 1 januari 2012 wordt dat voordeel van alle aard voor het persoonlijke gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig (op jaarbasis) berekend door een CO2-percentage toe te passen op 6/7 van de cataloguswaarde van het kosteloos ter beschikking gestelde voertuig. Enkele verduidelijkingen:

  • De cataloguswaarde = de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief de opties en werkelijk betaalde btw, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno. Naargelang de wagen ouder is, zal het belastbare voordeel van alle aard verminderen:
Periode verstreken sinds de eerste inschrijving van het voertuig (een begonnen maand telt voor een volledige maand)Bij de berekening van het voordeel in aanmerking te nemen percentage van de cataloguswaarde
Van 0 tot 12 maanden100 %
Van 13 tot 24 maanden94 %
Van 25 tot 36 maanden88 %
Van 37 tot 48 maanden82 %
Van 49 tot 60 maanden76 %
Vanaf 61 maanden70 %
  • Het CO2-percentage bedraagt als basis 5,5% (referentieuitstoot inkomstenjaar 2018: 105g/km benzine, lpg of gas <> 86g/km diesel). Dat is jaarlijks te herzien bij Koninklijk Besluit (de achterliggende reden is een te voorziene verlaging van CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen: zo kan, wanneer nieuw ingeschreven voertuigen milieuvriendelijker worden, toch het voordeel even hoog worden gehouden, en zou dat er evenwel toe kunnen leiden dat voor bestaande voertuigen het voordeel mogelijk hoger begroot wordt na een jaar!).

    • Is de uitstoot van een voertuig hoger dan de referentie-uitstoot ® basispercentage + 0,1% per gram CO2-uitstoot die erbij komt, met een maximum van 18%.
    • Is de uitstoot van een voertuig lager dan de referentie-uitstoot ® basispercentage - 0,1% per gram CO2-uitstoot die minder is, met een minimum van 4%.

Indien er voor het voertuig geen inschrijvingsgegevens bekend zijn (bij Directie Inschrijvingen van Voertuigen) m.b.t. de uitstoot ® benzine, lpg of gas: 205 g/km <> 195 g/ km diesel.

  • Absolute ondergrens voordeel: 1310 euro per jaar (geïndexeerd bedrag voor inkomstenjaar 2018 – aanslagjaar 2018).
  • indien de werknemer een eigen bijdrage betaalt voor het persoonlijke gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig, dan gebeurt de berekening van het voordeel zoals hierboven uiteengezet doch wordt het resultaat verminderd met de eigen bijdrage van het voordeel.

De kosten van het privégebruik van een bedrijfswagen zijn in hoofde van de werkgever niet voor 100% aftrekbaar als loonkosten. Zo is 17% van het voordeel van alle aard (volgens bovenstaande berekening) voor de werkgever niet-aftrekbaar in de vennootschapsbelasting, wat een zogenaamde verworpen uitgave zal zijn. Deze  verworpen uitgave dient opgeteld te worden bij de verworpen uitgave die ontstaat uit de reeds bestaande aftrekbeperking van de autokosten van het professionele gebruik.

Belangrijk is op te merken dat er sinds 1 januari 2017 twee wijzigingen werden gerealiseerd ten aanzien van deze fiscale regelgeving. Deze wijzigingen hebben tot gevolg dat in bepaalde gevallen het privégebruik van firmawagens opnieuw aanzienlijk zwaarder wordt belast in hoofde van de werkgever. 

In de eerste plaats zal vermelde percentage van 17% verworpen uitgave worden opgetrokken tot 40% als de werkgever een bedrijfswagen ter beschikking stelt waarbij ook de brandstofkosten voor de bedrijfswagen geheel of gedeeltelijk ten laste worden genomen door de werkgever. Het spreekt voor zich dat deze maatregel in zeer veel gevallen tot aanzienlijke meerkosten voor de werkgever zal leiden, aangezien in België bijna elke werkgever ook de brandstofkosten voor een ter beschikking gestelde bedrijfswagen op zich neemt. Ten slotte zal de verworpen uitgave van 40% vanaf 1 januari 2017 berekend moeten worden op het voordeel alle aard voor de aftrek van de eventuele eigen bijdragen van de werknemer, wat opnieuw hogere kosten voor de werkgever tot gevolg heeft.

Aan het einde van de arbeidsovereenkomst

Hierbij dienen we het onderscheid te maken tussen een beëindiging met het betekenen van een opzeggingstermijn enerzijds, en anderzijds een onmiddellijke beëindiging op voorwaarde van betaling van een verbrekingsvergoeding.

Opzeggingstermijn

Het basisprincipe is dat tijdens de opzeggingstermijn de arbeidsovereenkomst en al haar rechten en verplichtingen blijven bestaan. Het loon moet dus ook betaald worden, inclusief het privégebruik van de firmawagen. Praktisch rijst heel vaak de vraag of een werknemer recht heeft op het behoud van de firmawagen tijdens het sollicitatieverlof. Het antwoord daarop is positief. Een dergelijk sollicitatieverlof dient immers te worden gegeven met behoud van loon.

Onmiddellijke beëindiging op voorwaarde van betaling van een opzeggingsvergoeding

Op het moment dat de arbeidsovereenkomst onmiddellijk wordt beëindigd op voorwaarde van betaling van een verbrekingsvergoeding, impliceert dit dat elke contractuele relatie tussen de partijen is verbroken. Derhalve vervalt de verplichting voor de werkgever tot het betalen van loon en moet logischerwijze de firmawagen onmiddellijk ingeleverd worden door de ex-werknemer.

Met het voordeel van het privégebruik van de firmawagen wordt wel rekening gehouden bij de berekening van de verbrekingsvergoeding. Want, in het jaarbasisloon dat als uitgangspunt dient voor de berekening van de verbrekingsvergoeding, moeten alle mogelijke contractuele voordelen opgenomen worden, waaronder het privégebruik van de firmawagen.

De hamvraag is dan: hoe gaat men dit voordeel evalueren?

Sommigen stellen ten onrechte dat men de fiscale evaluatie als uitgangspunt moet nemen. Dit wordt door de rechtspraak afgewezen. Zo wordt ook niet aanvaard dat men in geval van leasing de leasekosten gaat opnemen in het basisloon. Het is het voordeel in hoofde van de werknemer dat telt, en niet de mogelijke kosten die dit in hoofde van de werkgever zou hebben meegebracht. In de praktijk gaan de arbeidsgerechten het privégebruik van de firmawagen ex aequo et bono evalueren. Gemiddeld wordt hiervoor op maandbasis 325 euro toegekend.

Praktisch probleem:
Ondanks het voorgaande gebeurt het in de praktijk toch heel vaak, in het kader van een minnelijke regeling voor de ontslagvergoeding, dat aan de ex-werknemer nog enige maanden het privégebruik van de firmawagen wordt gegund. Voor vele ex-werknemers is dat zelfs emotioneel een zeer belangrijk punt. Het dient ten zeerste onderstreept te worden dat het van kapitaal belang is dat wanneer een dergelijke gunst wordt toegestaan, hierover een goede overeenkomst afgesloten moet worden. In deze overeenkomst dient onder meer duidelijk gestipuleerd te worden wie de wagen mag gebruiken, wie aansprakelijk is in geval van een ongeval, wie aansprakelijk is voor het onderhoud, wat de grenzen zijn van het gebruik in afstand, en wanneer en hoe de wagen teruggegeven dient te worden. Al te vaak ontstaan hierover nadien zware discussies.

Mobiliteitsvergoeding

De regeling van de mobiliteitsvergoeding (zgn. ‘cash for car’) wil werknemers ertoe aanzetten om minder gebruik te maken van de wagen in het verkeer. Een werknemer die beschikt over een bedrijfswagen die hij ook voor privé-verplaatsingen mag gebruiken, kan die inleveren en in ruil daarvoor van zijn werkgever een mobiliteitsvergoeding krijgen, waarmee hij alternatieve vervoersmiddelen voor de woon-werkverplaatsingen kan financieren.

De regeling van de mobiliteitsvergoeding werd in mei 2018 ingevoerd door een wet die met terugwerkende kracht in werking trad op 1 januari 2018.

Procedure

Deze regeling houdt noch voor de werkgever, noch voor de werknemer een verplichting in. Zowel werkgever als werknemer zijn volledig vrij om al dan niet gebruik te maken van de mobiliteitsvergoeding. De invoering van de mobiliteitsvergoeding behoort tot de uitsluitende beslissingsbevoegdheid van de werkgever. De werknemer moet de mobiliteitsvergoeding schriftelijk aanvragen bij zijn werkgever. De werkgever moet de werknemer schriftelijk op de hoogte brengen van zijn beslissing. De formele aanvraag van de werknemer en de positieve beslissing van de werkgever erop in te gaan, vormen een overeenkomst die inhoudelijk deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst tussen de partijen. Deze schriftelijke overeenkomst is een sociaal document en moet o.a. het basisbedrag van de mobiliteitsvergoeding vermelden. 

Voorwaarden

De mobiliteitsvergoeding kan enkel toegekend worden door een werkgever die reeds gedurende een ononderbroken periode van minstens 36 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de invoering van de mobiliteitsvergoeding bedrijfswagens ter beschikking stelde aan een of meerdere werknemers.

De mobiliteitsvergoeding kan enkel toegekend worden aan werknemers die (1) op het tijdstip van de aanvraag gedurende minstens 3 maanden ononderbroken over een bedrijfswagen beschikken bij de huidige werkgever en die (2) tijdens de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag gedurende minstens 12 maanden over een bedrijfswagen beschikten bij de huidige werkgever.

Gevolgen voor het woon-werkverkeer

De toekenning van de mobiliteitsvergoeding maakt een einde aan de toekenning van de bedrijfswagen en de daarmee verbonden voordelen (bv. tankkaart, verzekeringen, winterbanden) vanaf de eerste dag van de maand waarin de mobiliteitsvergoeding wordt toegekend.

Ook de bestaande verplichtingen van de werkgever om een verplaatsingsvergoeding toe te kennen, houden vanaf dat ogenblik op te bestaan. Als er een mobiliteitsvergoeding wordt toegekend, is de werkgever niet meer verplicht tussen te komen in de woon-werkverplaatsingen, ongeacht de wijze waarop ze worden uitgevoerd (met privéwagen, met het openbaar vervoer, per fiets). De toekenning van de mobiliteitsvergoeding kan (in principe) niet worden gecumuleerd met de fiscale vrijstellingen van woon-werkvergoedingen. Als de werkgever toch besluit om tussen te komen in de kosten van deze verplaatsingen, wordt zijn tussenkomst niet vrijgesteld en is ze onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing. Wanneer echter de werknemer, vooraleer de mobiliteitsvergoeding te genieten en tijdens de drie voorafgaande maanden, reeds een voordeel bedrijfswagen cumuleerde met een voordeel woon-werkverplaatsingen (sociaal abonnement, fiets enz.), blijft voor deze tussenkomst door de werkgever een voordelige sociale en fiscale behandeling gelden.

Bedrag mobiliteitsvergoeding

De mobiliteitsvergoeding is een maandelijks bedrag in geld dat bepaald wordt op basis van de waarde op jaarbasis van het gebruiksvoordeel van de ingeleverde bedrijfswagen. De waarde van het gebruiksvoordeel bedraagt 20% van 6/7 van de cataloguswaarde van de ingeleverde bedrijfswagen, 24% als de werknemer ook beschikte over een tankkaart. Indien de werknemer voor de bedrijfswagen een eigen bijdrage betaalde, wordt de eigen bijdrage betaald in de laatste maand vóór inlevering van de bedrijfswagen, omgezet op jaarbasis, in mindering gebracht van de waarde van het gebruiksvoordeel van de bedrijfswagen.

Sociale en fiscale behandeling

De mobiliteitsvergoeding die aan alle voorwaarden voldoet, wordt voor de RSZ niet als loon beschouwd. Op de mobiliteitsvergoeding zijn dus geen gewone socialezekerheidsbijdragen verschuldigd. De werkgever is voor de volledige periode waarin de mobiliteitsvergoeding wordt toegekend, op de mobiliteitsvergoeding wel een solidariteitsbijdrage verschuldigd gelijk aan de solidariteitsbijdrage (CO2-bijdrage) verschuldigd voor de bedrijfswagen voor de maand voorafgaand aan de maand van vervanging van de bedrijfswagen door de mobiliteitsvergoeding.

De mobiliteitsvergoeding is ook op fiscaal vlak voordelig. Voor de werknemers maakt de mobiliteitsvergoeding een belastbaar voordeel van alle aard uit waarop bedrijfsvoorheffing wordt geheven, maar die beperkt wordt tot 4% van 6/7 van de cataloguswaarde van de ingeruilde bedrijfswagen (eventueel te verminderen met de persoonlijke bijdrage van de werknemer), met een maximum van 1310 euro (geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2019). In hoofde van de werkgever is de mobiliteitsvergoeding aftrekbaar ten belope van 75%, met een overgangsregeling voor de eerste jaren na het inruilen van de bedrijfswagen.

Duur toekenning

De mobiliteitsvergoeding wordt toegekend zolang de werknemer geen bedrijfswagen meer heeft. De betaling van de mobiliteitsvergoeding stopt wanneer de werknemer opnieuw een bedrijfswagen heeft of een nieuwe functie krijgt waarvoor in geen bedrijfswagen voorzien is. De werkgever moet dan opnieuw tussenkomen in de verplaatsingskosten voor het woon-werkverkeer.


.